Restaurant
Piet
Paaltjens
'Ik ken jou ergens van,' zei een ietwat aangeschoten vrouw tegen me.
Ik stond in een café mijn keel te smeren na een optreden van mijn
hobby-smartlappenband de Straatmadeliefen. Ik kende haar niet en opperde
dat ze misschien mijn broer bedoelde, die wel wat op me lijkt. ' Nee,'
zei ze,'ik bedoel jou.' Ik vroeg of ze nog een wijntje wilde want herkend
worden vraagt om nadere uitleg. Het riekt in ieder geval naar een beetje
bekendheid. Bovendien zag ze er niet onappetijtelijk uit al kon ze naar
mijn mening wel wat extra kilootjes gebruiken. Ik probeerde haar licht
benevelde geest een beetje te helpen en deed een paar suggesties. 'Misschien
heb je ooit een keer bij me gegeten', zei ik maar dat bleek niet het geval.
Ook had ze me nergens met mijn bandje smartlappen horen kwelen. Meer kwaliteiten
heb ik niet dus nam ik nog maar een biertje om nog eens goed te bedenken
waar ze me van zou kennen, want herkend worden is leuk natuurlijk, maar
je wilt eigenlijk ook wel weten waarvan. Op eens werd het in helder in
haar brein. 'Jij fietst altijd door de stad met zo'n fietskarretje achter
je aan. Ik was zo teleurgesteld toen ik dat voor het eerst zag', zei ze.
Ik bestelde voor ons beiden nog een drankje, want hoe kon mijn fietskarretje
haar nu teleurgesteld hebben. 'Ik kwam je vaak tegen op de markt', zei
ze 'en iedere keer als ik je zag had ik zin in je.' Verdomd, zou dit nu
het moment zijn waar ik al maanden op hoop? 'Maar toen ik je met dat fietskarretje
met een kind er in zag,' ging ze verder 'wist ik dat je een al relatie
had'. Ik voelde mijn kansen stijgen en vertelde haar dat ik al weer een
hele poos beschikbaar was. We dronken nog een drankje en ik vroeg hoe ze
heette. 'Stella,' zei ze met een enigszins dubbele tong, 'en ik wil met
je naar bed.' Dit moest mijn geluksavond wel zijn. Na de laatste ronde
stelde ik dus maar voor om maar naar huis te gaan. Ik probeerde me te herinneren
wanneer ik voor het laatst mijn bed verschoond had en dat bleek al een
mooie poos geleden. Maar ik moest me nog even bedwingen want Stella wilde
eerst nog shoarma. Dus zaten we even later aan een broodje en bier uit
een blikje te drinken. 'Ik neem je mee naar huis,' zei Stella terwijl ze
met een servetje wat knoflooksaus, overigens zonder resultaat, uit haar
haren probeerde te wrijven. Hiermee was het probleem van het beddengoed
ook weer opgelost. Het huis bleek in Camminghaburen te staan.
'We nemen een taxi', zei ik, maar de centrale had het druk zodat we moesten
wachten en nog een broodje en een blikje bier namen. Een uur later zaten
we dan toch achter in de taxi. Halverwege moest deze stoppen want de broodjes
shoarma en het bier wilden er bij Stella uit waar ze er ook ingekomen waren.
De taxichauffeur foeterde nog al want hij wilde geen viezigheid in de auto.
Toen ik Stella weer achter in de taxi geholpen had en een beetje schoongeveegd,
viel ze prompt in slaap. Dat was de bedoeling niet, dus probeerde
ik haar wakker te schudden. 'Wel nummer moeten jullie hebben,' vroeg onze
taxichauffeur. Ik wist het niet en Stella kon het ook niet meer bedenken.
'Dan zet ik jullie er halverwege de straat wel uit, misschien herkent ze
het', zei de taxibestuurder. Ik gaf hem zijn geld en een fooi voor het
ongemak en stond toen midden in de nacht met een half slapende dronken
vrouw in een nachtelijk Camminghaburen. Alle huizen in de straat waren
donker. 'Waar moeten we zijn', vroeg ik. 'Hier ergens', zei Stella en strompelde
door een tuinhekje. Het duurde nog even voordat ze de sleutels gevonden
had, maar het bleek dat ze het juiste tuinhek genomen had. Na een hoop
gemorrel stonden we in de gang. Juist toen ik dan eindelijk in de gelegenheid
was om even aan mijn driften toe te geven en hier en daar wat in Stella
te knijpen werd er van boven geroepen:' Stella ben jij dat?' 'Ja', hikte
ze 'en Klaas is er ook.' 'Dat is mijn vriend', zei ze tegen mij, 'hij is
net zo aardig als jij maar hij houdt niet van stappen. ' De vriend
kwam naar beneden, pakte Stella bij de arm en zei tegen mij: 'Rot op.'
Twee seconden later stond ik weer op straat en hoorde de deur in het nachtslot
vallenen. In de verte kon ik nog net de achterlichten van de taxi zien.
Na anderhalf uur lopen en twee keer wildplassen was ik om zeven uur weer
in de Uniabuurt. 'Hoe was het?' vroeg een kennis, die me in het cafe bezig
had gezien, later. 'Geweldig man, wat een nacht', zei ik.
