Restaurant
Piet
Paaltjens

Als je begin mei voor het eerst weer een
kwartier met je auto stil staat op de Harlingerstraatweg, dringt
het ineens tot je door dat het bootjes seizoen weer is begonnen. Dat je
voortaan rekening moet houden dat de stad met enige regelmaat verstopt
zit om dat er ergens een brug omhoog staat. De invasie van de watersporters
is begonnen. Toen ik net met het restaurant begon dacht ik nog in alle
onschuld dat watersporters eventuele gasten zouden kunnen worden. Ik maakte
een folder waar al de aantrekkelijkheden van het restaurant, het voedsel
en de serveerster zo aanlokkelijk mogelijk waren afgebeeld en deelde deze
rond tijdens mijn poeprondje van de honden in de Prinsentuin. Ik loop met
een poepschep en gebruik deze ook, dit voor de sceptische lezers van dit
stukje. Het resultaat van deze actie was veel mensen voor de deur en de
ramen, maar weinig klandizie. Alleen had je af en toe een groepje manlijke
oosterburen die met veel lawaai binnen kwamen. Snel schoof ik dan twee
tafels aan elkaar zodat de heren bij elkaar konden zitten. Niet dat ze
dat vervolgens deden. Nee, twee gingen naar de wc, drie bestelden een drankje
en de rest strooide met as en vroegen of er geen Stramme Max op het menu
stond. Na vijf minuten was het hele spul weer buiten. Ons achterlatend
met wat opgeschrikte gasten, een tientje omzet en twee vuile tafellakens.
Tegenwoordig brullen we bij zulke Duitse overvallen in goed Germaans:
Nur Menu's'. Dat houd de meeste buiten de deur en degenen die wel binnenkomen
zijn welkom. Nee watersporters is een slag apart. Het is natuurlijk
ook wat; je hele vakantie geld uitgeven aan de huur van zo'n drijvende
caravan of een tupperware zeilboot. Geld om uit eten te gaan is er dan
ook niet, dat begrijp ik wel. Maar wat me het meest bevreemd zijn de gedragingen
van de manlijke bootjeshuurders. Het moet wel verveling zijn. Hebben ze
voor twee weken zo'n woonpraam gehuurd, gaan ze dat ding soppen. En niet
alleen op de laatste dag voordat ze hem terug moeten brengen, nee iedere
dag, soms twee keer wordt die drijvende kampeerhut afgesopt met een dwangmatigheid
waar een psycholoog niet over uitgeluld raakt. Als deze er voor betaald
krijgt tenminste. Emmers water worden uitgegooid over de witte flanken
van de boot. Niet aanwezige ongerechtigheden worden weg geboend met een
ijver waar hun vrouw jaloers op kan zijn. En dat is zij ook. Want thuis
doet deze bootjespoetser geen fuck in de huishouding. De enige schoonmaak
prestatie die deze jan lul uitvoert is zijn vierwiel japanner door de wasstraat
rijden. Voor de rest moet moeders alles oplossen. Want met al die vrouwen
die mee moeten varen met hun man heb ik medelijden. Voor hen verandert
er niet veel. Ook al hebben ze vakantie, ze moeten nog steeds de was doen
voor manlief en koters. Ook moeten ze koken omdat deze zelfde manlief een
te duur schip heeft gehuurd. En er dus geen geld meer overblijft om ergens
lekker, ik bedoel nu lekker, uit eten te gaan. En vervolgens heeft ze ook
nog het vooruitzicht op de volgende ochtend. De ochtend dat ze weer gaan
vertrekken. Manlief staat als Schipper naast God achter het roer
terwijl moeder aan de wal met de touwen in de weer is. En aan het gebrul
en gevloek dat de Kapitein vanaf de flying bridge de wal op slingert doet
ze dat niet goed. Als de praam eindelijk los van de kant is moet het arme
mens nog een noodsprong maken anders vertrekt hij nog zonder haar. En vijf
minuten later steekt de gezagvoerder minzaam zijn hand op naar de brugwachter,
terwijl een honderdtal mensen voor de zoveelste keer die dag voor een geopende
brug staat.