

Vader Kähler ging naar de deur. - ‘Wacht even, nog wat! 't Gaat wel niet, anders zou ik wel...’ - ‘Wat zoudt ge wel?’ vroeg vader Kähler. - ‘Ja, ik dacht, als er zoo eens een halve flesch wijn bij was. Maar van den goedkoopen!’ liet ik er snel op volgen, toen ik zag, dat hij zich het hoofd begon te krabben. - Eindelijk zei hij: ‘dat kan er niet best van af, of ge moest dan morgen....’ - ‘Ja,’ viel ik hem in de rede, ‘dat gaat wel, als ik dan morgen maar weêr kommiesbrood wil kaauwen. Nu, komaan dan maar!’
En na een half uur zat ik dan nu bij mijn hazepeper en mijn halve flesch wijn, en vóór mij stonden twee mooije dikke kaarsen op de zilveren kandelaars, en vader Kähler had fatsoenlijk gedekt en had ook een servet meêgebragt. Dat was me een kerstavond, en toen vader Kähler vertrokken was, las ik mijn vader zijn hartelijken brief nog eens, daarop las ik in Wilhelm Meister's leerjaren, en toen ik aan die plaats kwam:
Fritz Reuter. Naverteld door Mr. C.W. Opzoomer 1821 - 1892
Bron: De Vesting G