Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  

EEN AARDIG VENTJE.

Daar ging eens een ventjen al over de straat,
En hij droeg op zijn borst een ruiker.
Hij had er een hoedje van chocolaad,
En zijn haar was gespoten suiker.
En zijn wangen die waren van appelmoes,
Zijn lippen morellen, zijn neus een soes,
Elke tand een pepermentje,
Zijn oogen sucaden, in ijs gevat.
O! wat een aardig ventje was dat,
O! wat een aardig ventje.

Wel kinderen! was 't niet de pijne waard,
Dat ventjen eens op te gaan zoeken?
Zijn hals was een abrikozentaart,
Zijn armen twee deventerkoeken.
En halletjes waren zijn handjes zoo fraai,
En hij liep op twee beenen van taai taai.
Voorzeker ik wed om een centje,
Je mogt er om loopen door dorp of stad,
Nooit zag je zoôn aardig ventjen als dat,
Nooit zag je zoôn aardig ventje.

Hij wandelde voort op zijn dooie gemak,
Al met bijzondere gratie:
Hij droeg een rokje van wafelgebak,
Met knoopen van speculatie.
Zijn schoenen die waren van witten drop,
En er blonken zwarte knoopjes op,
En elke knoop was een krentje.
'k Wou, ik zijn adres maar geweten had,
Want nooit zag ik aardiger ventje dan dat,
Neen, nooit zag ik aardiger ventje.

Jacob van Lennep  1802 - 1868
Het Nachtegaaltje. Gedichtjes
(van S.J.van den Bergh, J.J.L.ten Kate en Jac.van Lennep)
Uitg.Gebrs.Willems 1851