Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  
      
        Kroeg in Piraeus

       
        In een kroeg dicht bij het water komen oude goden
        bij elkaar en spelen kaart. ‘Wie heeft gedeeld?’
        En na wat traag gepraat: ‘Wie heeft geboden?’
       
        De stevige waardin zit snurkend op een zak met bonen
        en open als de deuren van een paardenstal of tempel staan
        haar schort en blouse. Ogen die passeren van de tafel
       
        naar de pisbak en terug, reizen in knikkend welbehagen
        over haar borsten, groot en bloot als kruiken.
        Die van het meisje dat bedient, zijn bezig te ontluiken.
       
        Hefaistos geeft met zijn beroete hand een teken dat
        de hele kroeg een rondje krijgt. Dan valt hij met zijn kin
        vol op de toog, een voortand vliegt de spoelbak in.
       
        De kaarters zien de gaten in zijn sokken – ze heeft
        hem eindelijk  geloosd, lijkt wel – en knikken hem toe,
        bespeler van het vuur en vanger van beminden: ‘Proost.’

        Dan schrikt ze wakker, de waardin, staat op en plant
        zich wijdbeens voor de gast. ‘Wie heeft u hier gebracht?’
        Ze pakt zijn hand en brengt die naar haar neus –
       
        wat is ze onbehouwen weer –: ‘Had ik het niet gedacht.
        Een rukker. Weg! Verbras je geld maar aan een
        automaat, verscheur de stilte met een handgranaat.’
       
        Ze schuift wat stoelen aan. ‘Pandora, ooit de schoonste
        van de Griekse vrouwen, kom, doe niet zo rottig, ook
        al ben ik dan berooid, kom hier en laat me één keer voelen.’

        De goden laten door een knaap sardientjes halen.
        Geluid van bootverkeer klinkt op, van golven die om
        kadetreden spoelen. Duiven dalen op de drempel neer.
       
        Aan de overkant, halfweg een magazijn vol ingedikte lucht
        van maïs en erwten, streept een dichter woorden weg
        en krabt zijn kont. De zorgelijke staat van beurs en maag
       
        dwingt hem tot genialiteit, hij voegt een nieuwe regel aan
        zijn lofzang op het varken toe die rijmen moet op: zang.
         ‘Wat houd ik van je monologen, het kuiltje in je wang.’

        Geluiden komen in de schalen van de pleinen schommelend
        tot rust. Vanuit de keuken komt de geur van kool. Een dienster
        schuifelt aan de deur voorbij met in haar jaszak haar obool.
       
       
        Jasper Mikkers (1948)
        uit: We zijn al lang onderweg (2013)