Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  

De lof van het eten

Vrienden! 'k mocht de slaap bezingen in mijn ongekunsteld lied,
En gij weigerdet aan mijn tonen uw gewenste bijval niet;
'k Heb een zangstof nu gekozen, nog veel schoner dan de vaak,
Bron van hoger zingenoegen; 'k zing het strelend eetvermaak.

Groot voorzeker is het voorrecht, dat ons ieder zintuig geeft;
Maar geen zintuig kan men noemen, dat de smaak te boven streeft.
Wat beduidt gij met u vieren, horen, ruiken, voelen, zien?
'k Gaf voor d'enkle smaak u alle met nog twintig bovendien.
Deerniswaardig is de stervling,die van de eetkunst weinig weet;
Die zo graag een soep van kalfskop als een soep van schildpad eet,
Die een baars in 't veen gevangen voor een zuivre meerbaars houdt,
Die nog aarzelt, wat te kiezen, een patrijs of eendebout!
Deerniswaardig is de stervling, die, bij d'aangerechte dis,
Vol van keur van lekkernijen, zonder smaak en eetlust is,
Die door elk 't genot hoort prijzen, dat de lekkre maaltijd geeft,
Die een ieder goed ziet smullen daar hij zelf geen honger heeft!

Wat kan halen bij het eten? wat genoegen is zo rein,
Zo bereikbaar voor een ieder, hoe verheven en hoe klein?
Wat kan halen bij het eten? waar is meer een bron van vreugd,
Die, zo duizendmaal genoten, telkens weêr op nieuw verheugt?
Wat kan halen bij het eten? vrienden! slaat uw blikken neêr
Op de velerlei vermaken, die u boeien keer op keer:
Alles, hoe 't genot moog wezen, dat het ooit de zinnen biedt,
Alles wordt op 't laatst eentonig, maar het eten wordt dit niet.
't Eten staat in 't gild der kunsten op de allerhoogste trap;
Spijs vermalen, voedsel slikken, is de nutste wetenschap.
Van 't rad van 't menslik lichaam is het eten toch de spil;
Als die ophoudt rond te draaien, staat het ganse werktuig stil.
't Is geen onverschillige arbeid, 't is een zaak van groot gewicht;
't Is niet slechts een rein genoegen, maar het is een hoge plicht.

Wee de stervling, die, onachtzaam, dit niet nadenkt, dit vergeet,
Die alleen maar uit gewoonte, die alleen tot voeding eet;
Die aan tafel, onverschillig, niet van hoge geestdrift blaakt,
En zijn lichaam tot een trechter, tot een nietig spijsvat maakt!
Neen, men moet met oordeel eten, men moet zorgen met beleid,
Dat er niets ontbreke aan spijzen, die voor ons zijn toebereid.
Koken moet men, bakken, stoven, braden, roosten aan het spit,
En de gaven niet verkwisten, die men in dit vak bezit.
Wee hem, die zich kan verlagen, even als het woudgediert',
Slechts het voedsel door te zwelgen, dat voor hem geschapen wierd!
Wee hem, die niet weet te woekren met de vruchten van deze aard'!
O, hij is een lekker gastmaal en de naam van mens onwaard.

Groot en dierbaar is uw voorrecht, makkers op de levensbaan,
Die Natuur heeft mild begiftigd met een stevig eet-orgaan!
Gij, die driemaal daags kunt eten, onverhinderd, altoos graag,
Zonder pillen te behoeven tot versterking van de maag.
Vol van uitgezochte beelden van een prachtig middagmaal;
Gij, o kenners in het eetvak, die de tafel nooit genaakt,
Of gij weet, bij 't zien dr spijzen, wat het allereêlste smaakt;
Die, door oefnen en beproeven, zo bekwaam werd op dat punt,
Dat gij alles, wat gij aantreft, stuk voor stuk ontleden kunt;
Gij, die weet, hoe 't best de spijzen moeten volgen op elkaâr,
Om het meest te kunnen eten zonder nadeel of bezwaar,
En die, zo gij iets gebruikt hebt, dat een poos u hinder deed,
Telkens weêr een lekkernijtje tot een helingsmiddel weet;
Gij, die bitter en tinkturen hebt vernuftig uitgedacht,
Die de maag tot eetlust prikkelen door hun zegenvolle kracht:
Groot en dierbaar is uw voorrecht, meesters in het kookgebied!
Andren mogen met u eten, gij doet meer nog: gij geniet.

Vrienden! had ik Croesus' schatten, waar mij ooit dit heil bereid,
'k Zou mij in het eten oefenen met de grootste schranderheid;
'k Zou dan alle schriften lezen, 'k zou dan kopen ieder boek,
Dat door mannen is geschreven in de spijsgeleerdheid kloek;
'k Zou een reeks van schilderijen dan doen hangen in mijn zaal,
Vol van uitgezochte beelden van een prachtig middagmaal;
'k Zou dan daagliks, bij 't ontwaken, bij het treden uit mijn bed,
't Eerst mijn ogen willen wenden naar een schotel vol banket;
En, van d'aanvang van de morgen. zou ik dan, tot 's avonds laat,
Mij door knechts doen vergezellen met pastijen en gebraad;
'k Zou naar roem noch grootheid dingen, eten zou ik ongestoord;
'k Liet de mensen woelen, vechten, 'k ging gerust met eten voort;
Wie mijn leeftrant mocht misprijzen, 'k zou dit aanzien zonder pijn,
En wie met mij meê wou eten, zou mij altoos welkom zijn.

'k Mocht uw lof verhogen,
Strelend eetvermogen,
Weelde voor de tong!
Wat ook moog gebeuren,
'k Zal het nooit betreuren,
Dat ik u bezong.

Blijde levensstonden,
Als we in aller monden,
Aan een volle dis,
Beurtelings zien laden
Soepen en gebraden,
En de fijnste vis!

Dierbare ogenblikken,
Doorgebracht in 't slikken
Van de lekkre spijs!
Als wij ijvrig werken
Aan uw borst en vlerken,
Snippen en patrijs!
Hem is leed beschoren,
Die zijn smaak verloren,
Die geen honger heeft.
'k Durf het vrij beslissen;
Die hun eetlust missen,
Hebben nooit geleefd.

'k Heb van andre mensen
Vrij wat vreemde wensen
Nu en dan gehoord:
Had ik iets te vragen,
'k Wenste honderd magen
Van de grootste soort.

'k Zou dan naar de stranden
Van de verste Landen
Reizen onvermoeid;
'k Zou geen plek vergeten,
Om van alles te eten,
Wat op de aarde groeit.

'k Zou dan, bij mijn sterven,
't Grafschrift eens verwerven,
Vol van zin en geest:
„Die hier ligt besloten,
„Heeft het meest genoten,
„Want hij at het meest.”



Jacob van Oosterwijk Bruyn  1794 - 1876
Uit: Bloemen uit de Nederlandse tuin, een bundel poëzie verzameld
door W. Fouché.
Amsterdam-Kaapstad 1910