Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  

        Mijn slager


        Omdat het weldra Kerstmis is
        Heeft mijn slager zijn gezicht
        Met vetkaarsen verlicht
        Achter zijn hakblok hakt hij zelden mis


        Zijn reuzenklap is panklaar en potdicht
        Bloed stroomt bij stromen uit de rode moten
        De nagels barsten aan de varkenspoten
        Maar elke klap geeft ze een nieuw gewicht


        Rollade, riblap en saucijs
        Steeds weer gewogen
        Nooit te licht bevonden


        De glinstering van altijd verse wonden
        Verpletterende slag op koeienogen
        Maken hem keizer in zijn vleespaleis

        Jean-Paul Franssens (1938-2003)
        uit: Zuiderkerkhof 1 (1997)



Die slager had zijn winkel in de Cornelis Schuytstraat. Boven huurde ik een etage bij mevrouw Groenlo. ’t Was niet meer dan een zolderverdieping die ik voor veel te veel geld door een Amsterdammer heb laten verbouwen. Open keuken. Badkamer. Ik betaalde er tweehonderd gulden per maand. Die verbouwing kostte, ik meen, zo’n twintigduizend gulden. Ik woonde er nog maar drie jaar toen slager Varkenskop het huis kocht en mij als onderhuurder op straat zette, nadat hij letterlijk het dak boven mijn hoofd liet slopen.
        ‘Achter zijn hakblok hakt hij zelden mis.’ Tot mijn niet geringe vreugde hoorde ik, toen ik eindelijk na veel verhuizerij op het Zuiderkerkhof was beland, dat hij toch misgeslagen had. Invalide. Gloria! Dat komt ervan. Terwijl ik het er zo naar mijn zin had gehad. Verhuisbaar parket. Mijn badkamer van gelakt teakhout. Voor, in de zolderingen grote tuimelramen, waardoor ik die ruimte als atelier kon gebruiken. Mevrouw Groenlo was een aardig mensje. Haar grijze hoofd met de keurige krulletjes schudde altijd ongecontroleerd omdat er ergens binnenin iets niet goed meer vastzat, ze wiebelde op haar dunne beentjes.