De struikkristallen van de bessen,
de koningsperenboom waar elk peertje
een kroontje draagt op 't hoofd,
de knusse wormframboos,
de sprookjesaardbei; kabouterneuzen,
kaboutermutsen in 't rond gestrooid.
De lichtgeschroeide perzikroos
binnenin van hard tot zacht
zoveel verandering belooft,
en op de grondvijver
tot in de nek gespierd
de blarengrootvorst de rabarber,
de gerouchde groene boerenkool,
kool van Savoye heft in geest
op strot en keel de monstrans van
Savoye,
en als vergrote gladiolen
de jonge maisplant, groenlichte duiven
neergestreken
in lange reeksen,
om over d'overeenkomst in de bloei
van graaf-aardappel en baron-boon
maar niet te spreken,
d'augurk die reeds zijn valstrik zet
en straks zijn vruchtrups in de loop
belet,
en tussen 't roerend kruid, croquante
hagelslag van rode zuring,
't kleinst soort klaproos kleiner dan
een speldje van een collectant
verscholen in een zee van gras
bedreigd door tienmaal groot're curieuze
stenen.
Dit plekje, en het is nu zeker,
is gerekend in tafel van zoveel maal
zoveel
dagen ook verdwenen,
want op dit jeugdvisioen plaveit men zo een
straat.
Lydia Dalmijn 1928
Bron: Libertinage, jaargang 6 (1953), nr 6 -uitg. Van Oorschot