Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  

Ontbijt

I

Het brood, de kaas en de appelengelei,
de kan, de kommen, de meloen erbij,
liggen gesloten, ingekeerd en stil
op het wit tafellaken in april.

Mijn kinderen tateren en tasten toe,
behalve Maria, altijd wat moe;
als een albasten beeldje, ijl en recht,
zwijgt zij en hoort niet wat een ander zegt.

Warme ogenglans, vriendelijk stemgegons,
wie is nog hier, wie is al weg van ons?

II

De zon zeeft door 't gordijn haar gouden licht
dat rimpelend in de achterkamer ligt,
ons helder aanvloeit, wiegt en ons betast,
wij zweven in dun water en het wast.

Gesloten zit Maria, koel en stil,
te luisteren naar wat er is op til,
naar dingen die, achter der dingen schijn,
slechts door dezulken te begrijpen zijn,

naar wat de wereld wordt, naar wat de ziel
van kinderen horen kan en voor ons lang verviel.

III

Zij reikt mij een broodplankje met een gebaar
te toe voor mij, ik heb er 't raden naar;
zij reikt me een kan, een kaasmesje als een gril
en 'k weet niet wat zij mij beduiden wil,

maar ik gevoel me binnen dof en zwaar,
bij dood en leven lastige bedelaar,
die door de ramen gluurt naar licht en vuur,
en huivert buiten in het avonduur.

Nu kom ik bij mijn kinderen al te kort:
wat kan hun liefde doen als ik niet helder word?

IV

Zij hoest, zij wordt de ciderlucht gewaar.
De zon verzilvert haar zwart haar,
haar blauwe wenkbrauw en dat donker meer
daaronder, diep en somber, zonder veer.

Het éne oog inkt, 't ander zilverpapier.
Mag ik dit zien, mag ik nog blijven hier
als ik niet word als 't meisje dat daar zit
en zwijgt en glimlacht, maar bestendig bidt

en denkt, reikt zij me een mes of berd:
zegen de man, God, die mijn vader werd.

Hubert van Herreweghen  1920
Bron: Spiegel van de Moderne Nederlandse Poëzie
samengesteld door Hans Warren.
Meulenhoff Amsterdam/Kritak Leuven  1992