Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  

De ontsnapte snoek, of de ongelukkige vischvangst.
(Waarbij men eerst een schoonen snoek ving, maar bij het openen twee halfverteerde jonge katten in de maag vindende, dien uit viesheid wegwierp, en vervolgens twee andere aan de zethoeken kreeg, die bij het ophalen ontsnapten.)


 Onherstelbre schade en spijt!
 Welaan! wij zijn dien snoek dan kwijt!
 Wij hadden, waar' hij wel gegrepen,
 Gewis hem op het land zien slepen;
 Nu zwemt hij ver van hoek en land.
 'k Heb dan vergeefs gewatertand!
 o Spijt! o onuitwischbre schand
 Voor die hem van den hoek liet glippen!
 Wat zouden wij met grage lippen
 Dien visch, met boter mild besproeid,
 Met appels, onder de aard gegroeid,
 Naar 't gretig voorbeeld, in zijn leven
 Door hem aan andren visch gegeven,
 Genuttigd hebben, versch en frisch!
 o Spijt, die onherstelbaar is!
 Wij dachten reeds ten derdenmale
 Ons eens op lekkren snoek te onthalen,
 

Ten derdenmale is 't ons mislukt,
De buit schier uit den mond gerukt!
Zou heks of spook hier ook meê spelen,
Bekend in deze werelddeelen?
Zou 't ook de booze Toovertrijn(*)                                                  
Of een van haar gezellen zijn,
Die, door een reeks van ongelukken,
Den visch ons telkens komt ontrukken?
Zond die gehate boerenplaag
Den eersten snoek, wat al te graag,
(Dit, dunkt mij, kan ik best bevatten,
Want heksen houden veel van katten;)
En rukt zij, door een toovervloek,
Nu weêr de visschen van den hoek?
Ik kan geen andre reden vinden.
Of dit moest waar zijn, lieve vrinden!
Dat zij,wier vangst ons menigmaal
Gevleid heeft met een goed onthaal,
Maar liet de tafel altijd kaal,
Wel net en kunstig hoeken zetten,
En wonder naauw op 't bijten letten,
Maar, halen zij den visch er uit,
Meêlijdend worden met hun buit;
Dat dan het heele spel verbruidt.
 
(*) Eene oude boerin in de nabuurschap. die den naam had van te kunnen tooveren

Pieter Nieuwland  1764 - 1794
Bergzigt bij Vollenhoven, 13 Aug. 1782.