vrouwen droegen tussen
de groene heuvels
in het gouden licht van het najaar zingend
druivenvolle manden geschouderd naar de
wachtende karren
in de ijle stemmen vanuit de gaarden
klonk de vreugde om de gerijpte vruchten
glanzend van het zomers gevangen warme
heilzame zonlicht
wij, die kelders later met eendre blijdschap
aan een vriendentafel de heldre glazen
heffen, horen achter de heildronk nog hun
vreugdevol zingen
en gedenken onder het degusteren
toegewijde, door hun ervaring wijze
keldermeesters die onaflaatbaar over
zuiverheid waken
- schreef ik, woorden op gescandeerde wijze
samensmedend binnen het saffisch metrum
en met naast mijn schrijfhand het volgeschonken
wijnglas verwaarloosd
waanzin is het, dacht ik, om wijn te prijzen
met een dorre mond die de woorden stroef maakt
als de hoogste lof van de wijn ligt in het
proeven en drinken
Koos Schuur. 1915 - 1995
Bron: Waar het was. Amsterdam 1980