Boek Piet Paaltjens                                   Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  

Willem Elsschot (1882-1960)

Quinten Matsijs
Het stokoude café
Quinten Matsijs
405 jaar oud
bruingerookt interieur
is haast onvindbaar
in de nauwe straatjes
van de oude stad
en beroemd om zijn donker
bier De Koninck
en zijn gezoden worst

Over de Quinten Matsijs
schreef Werumeus Buning
anders dan over Maria Lécina
en zonder porqué? ook
maar even hartveroverend
meeslepend en poëtisch
je merkt het echter niet
aan de doodgewone mensen
die er komen en gaan
als dat laatste nog lukt.

In de Quinten Matsijs
zat de heer De Ridder
een Antwerpse burgerman
met zijn schaarse vrienden
soms te kaarten
zij noemden hem beleefd
zoals het hoort in dit milieu
meneer De Ridder
of kortweg Fons
na enig bierverbruik.

Bij het einde van het spel
dronk meneer De Ridder
zijn glas leeg en betaalde
mompelde een spaarzame groet
en ging naar buiten
altijd in zijn eentje
tussen licht en donker
de eenzame weg naar huis
met jas en hoed
en soms een zwarte paraplu.

Over de trapgevels
van de bruine huizen
daalde de grijze mist
onvermijdelijk als altijd
naar beneden in de smalle
straatjes van de oude stad
de rivier was voelbaar nabij
op dat moment werd plots
alles mogelijk en magisch.

Drie Indische rijstkakkers
liepen op een rijtje
zoekend door de straat
een briefje in de hand
aan de overkant
van diezelfde straat liep
meneer De Ridder nadenkend
zij staken alle drie
(de eerste met het briefje)
op een rijtje als eenden
de straat over
ze hadden hem nodig.

De drie Indiërs waren
zwart van huid en verdwaald
en bovendien heel verlegen
wat nog veel erger is
maar meneer De Ridder begreep ze
hij wist wat ze dachten
misschien ook wat ze zochten
ook hij was al op zoek geweest
naar onvindbare droomdingen
in grote vreemde steden.

Precies op dat moment
werd meneer De Ridder
of kortweg Fons
voor de schaarse vrienden
met een onmerkbaar schokje
Willem Elsschot
en in dat ene kostbare
ondeelbare onsplitsnare ogenblik
schreef hij in één ademruk
als een bezielende flits
zijn tijdeloze boek 'Het dwaallicht'...

...pas toen toonde een der
Indiërs hem het briefje



Jos Vandeloo 1925
Bron: Dichters over dichters. Samengesteld door
Robert-Henk Zuidinga.
Sijthoff/Amsterdam . 1986